Manuscript - 5
5
II. De ontknoping
1. Een stom eindje touw
‘Er was letterlijk geen spoor van de daders te vinden. Foto’s
en metingen werden dadelijk uitgevoerd, er werd zelfs gezocht naar vingerafdrukken,
maar behalve die van de ontdekkers van den diefstal zelf, waren er geen
te vinden. Het enige voorwerp dat ter plaatse ontdekt werd is een eindje
touw, een stom eindje touw. Verder niets…’ stond er te lezen
in De Nieuwe Gazet van 12 april 1934.
Een stom eindje touw. In de meer dan 45 jaar dat deze zaak me boeit, ben
ik nergens iets of iemand tegengekomen die hier dieper op ingegaan is.
Werd dat stom eindje touw ooit onderzocht of vergeleken met het touw rond
het paneel van St-Jan? Nergens kan ik een antwoord vinden op mijn vraag.
En vragen doet dat stukje touw bij mij reeds rijzen van in mijn kindertijd.
Het heeft me steeds gefascineerd dat dieven, die zo secuur tewerk zijn
gegaan, dat er niet de minste sporen te vinden waren, één stille getuige
achtergelaten hebben.
Het kan haast niet anders of dit is met opzet gedaan. Het touw is duidelijk
zichtbaar achtergelaten, zodat het ook met zekerheid gevonden zou worden.
Als men bedenkt dat de dader over een grote dosis koelbloedigheid diende
te beschikken om de roof in de eerste plaats uit te voeren, zeer zorgvuldig
alle sporen uit te wissen en zelfs het doek over het Lam Gods terug te
plaatsen, dan kan hij onmogelijk het eindje touw over het hoofd hebben
gezien.
Trouwens, van waar kwam dat touw? De grisaille van St-Jan is later teruggevonden,
verpakt met touw. Maar is dit paneel wel ingebonden in de kathedraal,
de nacht van de roof?
Uit de verklaring van Cesar Aercus vernemen we: “Ik zag dan een
manspersoon uit het zijpoortje der hoofdkerk komen, drager van een voorwerp
dat nogal lang was en dat mij toescheen een plank te zijn, en dat hij
in de auto legde…” Nergens is hier sprake van het witte touw.
Nochtans weten we dat het betreffende paneel teruggevonden werd, verpakt
in dun bruin papier, omwikkeld met een zwart wasdoek en dichtgebonden
met onder andere een dik, gans wit touw.
Het valt me moeilijk zomaar aan te nemen dat dit dikke witte touw, dat
duidelijk afstak tegen het zwarte wasdoek, niet zou opgevallen zijn bij
Cesar Aercus. Hij zou dan niet duidelijk over een ‘plank’
gesproken hebben, doch eerder over een ‘pak’.
Ook uit de verklaring van Hélène Christiaens zou men kunnen besluiten
dat AG de St-Jan thuis ingepakt heeft: zij zag AG eind mei 1934 bezig
een lang zwart voorwerp in te pakken. Een pak dat een plank leek te zijn,’redelijk
lang en niet breed’, met zwart wasdoek en een witte koord omwonden.
Misschien wou AG de nacht van de diefstal zo weinig mogelijk tijd verliezen
en vond hij de beschutting van de duisternis voldoende om het paneel onverpakt
over straat tot aan de wagen te dragen. Tenslotte stond zijn mannetje
toch buiten op post om hem bij het geringste onraad te verwittigen.