Dagboek - 33
33
Gent, 8 juni 2010
Klokslag 9u00 rijd ik met mijn jongste zoon Wouter Gent binnen. Een plaatsje is snel gevonden en zes euro verwisselen van eigenaar zodat ik gerust kan zijn tot 12u00.
Vermits we een uur te vroeg zijn voor onze afspraak, begeven we ons eerst naar het terras van ’t Voske voor twee espresso’s. Een lekkere stinkstok erbij en we kunnen rustig de komende gebeurtenissen overlopen. Stilaan komt er een hongergevoel opzetten en daar mijn chauffeur nog niets gegeten heeft, verplaatsen we ons rond 9u30 naar het aanpalende terras van Brasserie Bridge voor twee koffie met drie mini koffiekoeken.
Wanneer we een half uur later naar de ingang van de Sint-Baafskathedraal gaan, komen hoofdinspecteur Jan De Kesel en zijn collega het Sint-Baafsplein opgereden. Na de kennismaking verschijnt ook Kanunnik Lode Collin uit de kathedraal en worden we hartelijk begroet. De rector van de Sint-Baafskathedraal nodigt ons uit hem te volgen. Halverwege de linkerkant van de binnenkerk staan we voor een grote massief eiken deur. Eens deze geopend, betreden we een zaal waar achter een deur een wenteltrap naar boven is. Via deze trap komen we op een verdieping met talloze gangen en kamers. Door het gebrek aan ramen is het zeer moeilijk om zich te oriënteren. Kanunnik Collin zweeft hier echter zonder moeite door. Op mijn leeftijd ben ik niet snel meer verbaasd, maar nu val ik van de ene verbazing in de andere. Als je enkel de kathedraal hebt bezocht als toerist, dan kan je je geen voorstelling maken van wat er zich tussen de buiten- en binnenmuren aan ruimtes bevindt. Vooral het bovenste gedeelte is immens. De benaming ‘labyrint’ is nog zwak uitgedrukt. Je kan echt kop noch staart krijgen aan de wirwar van trappen, gangen en afgesloten ruimtes, kortom een chaos.
Met de uitspraken van Goedertier in mijn achterhoofd, heb ik steeds gezocht naar een plek in het – voor bezoekers – zichtbare gedeelte van de kathedraal. Groot is dan ook mijn verbazing als ik de ontelbare mogelijkheden van bergplaatsen in de bovenkerk ontdek. Nu begrijp ik waarom Oberleutnant Koehn, ondanks zij Duitse ‘Gründlichkeit’, het paneel niet heeft kunnen vinden.
Na talloze gangen, trappen en een loopbrug bereiken we eindelijk de bovenzijde van het hoofdorgel. Een betonnen kantwerk doet dienst als balustrade en ik wring mijn hoofd door één van de gaten om van boven af in het hoofdorgel te kijken.
« Vorige | Volgende »
9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34